Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening 

Voor meer inlichtingen, gelieve contact op te nemen met uw RVA-kantoor. De adressen kunt u vinden in het telefoonboek of op de site : www.rva.be

Delen

Hebt u recht op de jeugdvakantie?

Infoblad

T11

Laatste update
01-06-2016

Wat is jeugdvakantie?

Dit infoblad geeft uitleg omtrent de jeugdvakantie waarop deze jongeren recht hebben, ter aanvulling van hun onvolledig recht op gewone betaalde vakantie.

De jongere die afstudeert, jonger is dan 25 jaar en ten minste één maand werkt als loontrekkende gedurende het jaar waarin hij zijn studies heeft beëindigd, kan het daarop volgende jaar jeugdvakantie nemen ter aanvulling van zijn onvolledig recht op vakantie. Voor elke jeugdvakantiedag ontvangt hij, ten laste van de werkloosheidsverzekering, een uitkering die 65% bedraagt van zijn begrensd loon.

Hoe wordt de gewone betaalde vakantie berekend?

Het aantal weken betaalde vakantie in het vakantiejaar hangt af van de tewerkstellingsduur in het vorige jaar (vakantiedienstjaar). Wie het ganse jaar heeft gewerkt, heeft in het daaropvolgende jaar recht op 4 weken betaalde vakantie. Wie slechts een half jaar heeft gewerkt, heeft slechts recht op 2 weken betaalde vakantie.

Voor betaalde vakantiedagen wordt een vakantiegeld uitbetaald. Bij een bediende gebeurt de betaling door de werkgever; bij een arbeider door de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie of door een vakantiekas.

Voorbeeld:
Een jongere die afgestudeerd is in 2015 (vakantiedienstjaar )en aan het werk gaat als bediende vanaf 1 oktober, heeft in 2015 slechts drie maanden gewerkt en heeft in 2016 (vakantiejaar) slechts één week betaalde vakantie.

De regeling van de jeugdvakantie voorziet dat de pas afgestudeerde jongere ter aanvulling van zijn onvolledig aantal betaalde vakantiedagen, jeugdvakantie mag nemen (zodat de totale vakantieperiode 4 weken kan bedragen). Voor de jeugdvakantiedagen kan een jeugdvakantie-uitkering betaald worden ten laste van de werkloosheidsverzekering.

Wie heeft recht op jeugdvakantie?

Om recht te hebben op jeugdvakantie moet de jongere aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt hebben;
    (het vakantiedienstjaar is het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de jongere vakantie neemt.)
  • in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies (met inbegrip van de periode van het maken van een eindwerk) of opleiding (alternerende opleiding, vorming erkend in het kader van de deeltijdse leerplicht, opleiding erkend door de VDAB, ACTIRIS, FOREM of ADG in het kader van het inschakelingsparcours) hebben beëindigd;
  • na de beëindiging van de studies of opleiding, in de loop van het vakantiedienstjaar gewerkt hebben als loontrekkende gedurende een minimumperiode. De jongere moet gedurende ten minste één maand verbonden zijn door één of meerdere arbeidsovereenkomsten en deze tewerkstelling moet ten minste 13 arbeidsdagen in de zin van de werkloosheidsreglementering omvatten. Een tewerkstelling met de vakantieregeling “openbare dienst” of met een uitgestelde bezoldiging (onderwijs) tellen echter niet mee.

Wanneer kunnen de jeugdvakantiedagen worden genomen?

De jeugdvakantie kan slechts genomen worden tijdens een tewerkstelling als loontrekkende en na de uitputting van de gewone betaalde vakantie. Op het formulier C103 jeugdvakantie wordt uitleg gegeven over de aanbevolen werkwijze voor de omrekening van betaalde vakantie bij wijziging van de arbeidsregeling.

De ligging van de jeugdvakantie wordt vastgesteld zoals de ligging van gewone vakantiedagen. Het gebeurt dus overeenkomstig een collectief akkoord of in onderling akkoord tussen de jongere en zijn werkgever. De dagen kunnen in één of meerdere keren worden genomen per volledige of per halve dag. De jongere is echter niet verplicht deze jeugdvakantiedagen te nemen.

De jeugdvakantie kan slechts genomen worden tijdens een tewerkstelling. De jongere die uitzendarbeid heeft verricht en tijdens de daarop volgende periode van volledige werkloosheid vakantie neemt, heeft dus geen recht op jeugdvakantie. Mogelijks heeft deze jongere wél recht op inschakelings- of werkloosheidsuitkeringen.

De jeugdvakantie wordt voor de andere takken van de sociale zekerheid (kinderbijslag, ziekteverzekering, pensioen) en voor het recht op vakantie in het volgende jaar, gelijkgesteld met gewone vakantie.

Wanneer heeft de jongere recht op jeugdvakantie-uitkeringen?

De jongere die jeugdvakantie neemt, heeft recht op jeugdvakantie-uitkeringen indien hij volgende voorwaarden vervult:

  • de jongere voldeed niet reeds tijdens een vorig kalenderjaar aan de voorwaarden om jeugdvakantie-uitkeringen te bekomen; in de praktijk betekent dit bv. dat de jongere die afstudeerde in 2012 en binnen de 4 maanden aan het werk ging, geen jeugdvakantie-uitkeringen kan genieten na het einde van een hervatting van de studies;
  • de jongere ontvangt voor de (halve) jeugdvakantiedagen geen beroeps- of vervangingsinkomen.

Hoeveel bedraagt de jeugdvakantie-uitkering?

Het aantal vakantie-uren dat niet meer gedekt is door vakantiegeld wordt omgerekend naar een aantal uitkeringen via de formule “Vakantieuren x 6, gedeeld door de normale voltijdse wekelijkse arbeidsduur”.

De jeugdvakantie-uitkering bedraagt 65% van het brutoloon van de jongere tijdens de eerste maand waarin jeugdvakantie wordt genomen, begrensd tot 2.191,26 euro per maand.

Het maximumbedrag is dus gelijk aan 54,78 euro gerekend in de zesdagenweek. Op dit bedrag wordt een fiscale voorheffing ingehouden van 10,09%.

De jongere met een brutomaandloon van 2.191,26 euro die voltijds werkt en één week jeugdvakantie neemt, zal dus 38 x 6/38 = 6 daguitkeringen van 54,78 euro ontvangen, of 328,68 euro bruto of 295,52 euro netto ontvangen.

Hoe bekomt de jongere de jeugdvakantie-uitkeringen?

Na de eerste maand met jeugdvakantie dient de jongere twee* formulieren in: de  C103 Jeugdvakantie Werknemer, die hij zélf invult, en de C103 Jeugdvakantie Werkgever, in te vullen door zijn werkgever.

* Indien de werkgever gebruik maakt van de elektronische aangifte (aangifte scenario 9 genaamd)  dient u slechts uw eigen formulier in, nl. het formulier C103 Jeugdvakantie Werknemer.  De print van de elektronische aangifte scenario 9, die u ontvangt van uw werkgever, moet u niet indienen.

De jongere dient het (de) formulier(en) naar keuze in bij een van de particuliere uitbetalingsinstellingen (opgericht door het ABVV, het ACLVB of het ACV) of bij de openbare Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Blanco formulieren kunnen bekomen worden bij die uitbetalingsinstellingen of bij elk werkloosheidsbureau van de RVA, dienst economaat.

De aanvraag om jeugdvakantie-uitkeringen wordt door de uitbetalingsinstelling overgemaakt aan de RVA. De aanvraag moet bij de RVA toekomen ten laatste in februari van het jaar volgend op het jaar waarin vakantie wordt genomen.

Voor elke maand waarin u jeugdvakantie neemt, dient uw werkgever een elektronische aangifte te doen van het aantal uren jeugdvakantie. (aangifte scenario 10 genaamd). Hij zal u dan een print van deze aangifte bezorgen. U moet deze print niet aan uw uitbetalingsinstelling bezorgen, deze zal immers uw uitkeringen berekenen en betalen op basis van de gegevens die elektronisch waren overgemaakt.

Voorbeeld:
De jongere die recht heeft op één week betaalde vakantie, kan in totaal drie weken jeugdvakantie bekomen. Hij neemt in januari één week betaalde vakantie. Hij neemt vervolgens zijn jeugdvakantie in april (2 dagen), in juli-augustus (2 weken) en in december (het saldo).

De jongere zal enkel na de eerste maand jeugdvakantie, in april de C103 Jeugdvakantie Werknemer indienen, en voor zover de werkgever geen gebruik maakt van de elektronische aangifte scenario 9, eveneens de C103 Jeugdvakantie Werkgever.

Voor de vakantieperiodes juli-augustus en voor december dient de jongere geen formulieren in te dienen.

Voor elke maand waarin jeugdvakantie genomen wordt, dus voor april, juli, augustus en december, moet de werkgever een aangifte scenario 10 te verrichten (de jongere ontvangt hiervan een afschrift dat hij mag bewaren). De betaling van de jeugdvakantie-uitkeringen gebeurt op basis van deze elektronische aangiftes.

Kan de deeltijdse werknemer ook jeugdvakantie nemen?

De voormelde regeling geldt ook voor de deeltijdse werknemer. Hij kan, na uitputting van zijn betaalde vakantie, jeugdvakantiedagen nemen. De dagen zullen proportioneel vergoed worden.

De jeugdvakantie heeft geen invloed op de berekening van de inkomensgarantie-uitkering die toegekend kan worden aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten.

Kan de werknemer in een activeringsprogramma ook jeugdvakantie nemen?

De voormelde regeling geldt ook voor de werknemer in een activeringsprogramma die geniet van de vakantieregeling “privé-sector”. Hij kan, na uitputting van zijn betaalde vakantie, jeugdvakantiedagen nemen.

De jeugdvakantie heeft geen invloed op de berekening van de activeringsuitkering.

Wat is de regeling voor de jongere die een alternerende opleiding volgt of die deeltijds onderwijs volgt in het kader van de deeltijdse leerplicht?

De jongere die een alternerende opleiding volgt, heeft tijdens deze opleiding wel recht op gewone betaalde vakantie (in functie van het aantal maanden van opleiding in het vorige jaar), doch geen recht op jeugdvakantie. Er kan jeugdvakantie worden toegekend voor het jaar volgend op het einde van de opleiding indien de jongere in het jaar van de beëindiging ten minste een maand werkt als loontrekkende.

De jongere die deeltijds onderwijs of vorming volgt in het kader van de deeltijdse leerplicht, of die deze studies verder zet na zijn 18e verjaardag, en die gelijktijdig deeltijdse arbeid verricht, heeft tijdens deze periode van deeltijdse arbeid wel recht op gewone betaalde vakantie (in functie van het aantal maanden van tewerkstelling als loontrekkende in het vorige jaar), doch geen recht op jeugdvakantie. Er kan jeugdvakantie worden toegekend voor het jaar volgend op het einde van de studie indien de jongere in het jaar van de beëindiging ten minste een maand werkt als loontrekkende. De deeltijdse arbeid die voorafgaat aan de beëindiging van het onderwijs telt niet mee voor deze tewerkstellingsvereiste.