Nieuwsbrief FSO nr. 82 - Uitbreiding met de sluitings-en overbruggingsvergoeding naar ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit

Juridische vraag

Het KB van 9.07.2024 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 16.07.2024) breidt het recht op de sluitings- en overbruggingsvergoeding uit naar werknemers van ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit, zoals gedefinieerd in artikel 2, 3°, b, van de wet van 26.06.2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. Werknemers van deze ondernemingen kunnen voor sluitingen vanaf 1 januari 2025 aanspraak maken op deze vergoedingen.

Standpunt FSO

Bij een sluiting van een onderneming is de werkgever in bepaalde gevallen verplicht een forfaitaire vergoeding, de sluitingsvergoeding, te betalen aan de werknemer. Deze vergoeding wordt berekend in functie van de leeftijd van de werknemer en de anciënniteit van de werknemer bij deze onderneming. Indien een werkgever in gebreke blijft, wordt deze vergoeding ambtshalve betaald door het FSO.

Daarnaast heeft het FSO de taak om een overbruggingsvergoeding uit te betalen aan overgenomen werknemers in het geval van een overname na faillissement. Deze vergoeding wordt toegekend wanneer een werknemer geen of slechts gedeeltelijk een verbrekingsvergoeding heeft ontvangen. De overbruggingsvergoeding dekt de periode van inactiviteit tussen het ontslag bij de vorige werkgever en het begin van een nieuwe tewerkstelling.

Tot nu toe hadden alleen de werknemers van ondernemingen met handels- of industriële finaliteit recht op deze vergoedingen.

Motivering

Oorspronkelijk was het toepassingsgebied van de waarborgopdracht van het FSO beperkt tot ondernemingen met een handels- of industriële finaliteit. In haar advies nr. 1320 sprak de NAR de wens uit om deze opdracht uit te breiden naar werknemers van ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit, maar uitsluitend voor bepalingen betreffende de garantie van loonbetaling, vergoedingen en voordelen, evenals de regeling rond aanvullende uitkeringen binnen het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.

Om deze redenen werd in artikel 11 bepaald dat de Titels II, III, IV, hoofdstuk II, afdelingen 1, 2, 4, 5, 6 en 8 niet van toepassing zijn op de ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit. Krachtens artikel 2, 3°, b in fine, zijn diezelfde bepalingen eveneens niet van toepassing op de vrije beroepen.

Wat betreft de sluitingsvergoeding oordeelden de sociale partners in de NAR dat deze voorlopig niet moest worden toegekend aan ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit. De belangrijkste redenen hiervoor waren enerzijds dat de beschikbare middelen onvoldoende zouden zijn om de mogelijke gevolgen op te vangen. De overbruggingsvergoeding werd eveneens uitgesloten, aangezien de insolventiewetgeving niet van toepassing was op ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit.

Artikel 11, lid 2, van de wet van 26.06.2002 betreffende de sluiting van ondernemingen voorziet echter in een mechanisme waarmee de Koning het toepassingsgebied van de wet kan uitbreiden naar ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit. In de parlementaire voorbereidingen werd benadrukt dat het de bedoeling was om zonder wetswijziging dit toepassingsgebied uit te breiden.

De rechtvaardigingen die destijds werden gebruikt, hebben aan relevantie verloren. Bovendien zorgt deze uitbreiding voor een gelijke behandeling tussen werknemers die het slachtoffer zijn geworden van de sluiting van hun onderneming, ongeacht of deze handels- of industriële finaliteit hebben. Om deze redenen werd het recht op een sluitings- en overbruggingsvergoeding uitgebreid door het KB van 9.07.2024. Voor sluitingen met een wettelijke sluitingsdatum vanaf 1.01.2025 zijn deze bepalingen nu ook van toepassing op werknemers van ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit, en kunnen zij recht hebben op een sluitings- en/of overbruggingsvergoeding.