Nieuwsbrief FSO nr. 84 – Vragen rond de verjaring (bijgewerkte versie van de Nieuwsbrief FSO nr. 9 van mei 2009)

Juridische vraag (1)

Kan het FSO de uitbetaling waarborgen van een vergoeding waarvan het recht is verjaard ten aanzien van de werkgever?

Standpunt FSO

Het antwoord op deze vraag is ongetwijfeld negatief: als de schuldvordering van de werknemer niet meer opeisbaar is ten aanzien van de werkgever wegens de verjaring ervan, is ze dat ook niet meer zijn ten aanzien van het FSO.

Motivering

Het kan gebeuren dat een werknemer van de werkgever een vergoeding eist waarvan het recht op uitbetaling is verjaard bij toepassing van art. 15, eerste lid van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. In die bepaling wordt gesteld dat "de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan … één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, [verjaren], zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden".

Voor het vakantiegeld voor bedienden bepaalt artikel 46ter van de gecoördineerde wetten van 28 juni 1971 betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers: "De vordering met het oog op de uitbetaling van het vakantiegeld van een bediende of een leerling-bediende verjaart na drie jaar, vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop dat vakantiegeld betrekking heeft.".

De werknemer kan van het FSO geen uitbetaling eisen van een vergoeding die niet meer opeisbaar is ten aanzien van de werkgever. In toepassing van artikel 35 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen komt het FSO alleen tussen als de werkgever zijn geldelijke verplichtingen niet nakomt. Zodra de werkgever er niet langer toe gehouden is om de vergoeding te betalen, geldt hetzelfde voor het FSO. Een werknemer kan namelijk niet meer rechten hebben ten aanzien van het FSO dan ten aanzien van zijn (ex-)werkgever.

De rechtspraak heeft ook in die zin beslist. De tegenpartij stelde dat de tegemoetkoming van het FSO een andere rechtsoorzaak had, zodat de werknemer zijn schuldvordering kon doen gelden ten aanzien van het FSO, zelfs indien ze was verjaard ten aanzien van de werkgever. De rechter was van oordeel dat, gelet op het residuaire karakter van de tegemoetkoming van het FSO en het feit dat de werknemer zijn rechten niet te gelegener tijd heeft doen gelden tegen de werkgever, de rechtsvordering van de werknemer ten aanzien van het FSO ongegrond was. Luik, 28.02.2008, AR 343.454, bevestigd door AH Luik, 08.01.2009, AR 035441 en 035532; Orb. Brussel, 13.10.2008, AR 17323/06).

Juridische vraag (2)

Moet de verjaringstermijn bepaald in het Wetboek van economisch recht voor de aangifte van de schuldvordering voorrang hebben op de verjaringstermijn bepaald in de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluitingen van de ondernemingen?

Standpunt FSO

Er is geen verband tussen de twee verjaringstermijnen. De termijn die is bepaald in de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluitingen van de ondernemingen, is niet van toepassing.

Motivering

Er is een noodzakelijk verband tussen de verplichting die elke schuldeiser van een faillissement heeft om aangifte te doen van zijn schuldvordering en de tegemoetkoming van het FSO.

Het Wetboek van economisch recht legt namelijk op dat alle schuldeisers ertoe gehouden zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen, uiterlijk op de door het vonnis van faillietverklaring bepaalde dag (art. XX.155) of, indien dat niet mogelijk is, binnen 1 jaar na het vonnis van faillietverklaring (art. XX.165, derde lid). De sanctie is zwaar, aangezien de schuldeiser die zijn schuldvordering niet of buiten termijn heeft aangegeven, niet zal kunnen rekenen op de ontvangst van een of ander dividend. Gelet op het subsidiaire karakter van de tegemoetkoming van het FSO, zal de werknemer datgene wat niet meer opeisbaar is ten aanzien van de werkgever niet kunnen opeisen van het FSO (zie supra).

Artikel 72 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen voorziet in een verjaringstermijn van één jaar voor vorderingen van werknemers ten aanzien van het FSO. De datum waarop deze termijn begint te lopen is niet de datum van het vonnis van faillietverklaring, maar de datum vanaf dewelke is voldaan aan de twee volgende voorwaarden:

  • een beslissing van het beheerscomité of van het Bijzonder comité van het FSO;
  • een volledig individueel dossier.

Die tweede voorwaarde veronderstelt dat de werknemer een aanvraagformulier F1 heeft ingediend. Het dossier van de werknemer kan namelijk niet als volledig worden beschouwd indien de werknemer het formulier niet heeft ingediend (art. 65, eerste lid). Er begint dus geen enkele verjaringstermijn te lopen zolang de werknemer het formulier niet heeft ingediend. De verjaringstermijn is dus niet van toepassing.

Daarnaast geldt er nog wel een verjaringstermijn voor het indienen van het aanvraagformulier F1. Een werknemer kan zijn rechten ten aanzien van het FSO doen gelden, indien het zijn aanvraagformulier F1 indient binnen een termijn van 10 jaar die begint te lopen vanaf de beslissing van het beheerscomité (of Bijzonder comité) over de onderneming (zie nieuwsbrief nr. 36). De wettelijke basis voor die verjaringstermijn van tien jaar is artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, waarin staat dat voor alle persoonlijke rechtsvorderingen een verjaringstermijn van tien jaar geldt.

Het spreekt voor zich dat het FSO alleen voor een werknemer kan optreden als de vordering niet is verjaard ten aanzien van zijn werkgever (zie supra). 

Er is dus geen direct of indirect verband tussen de verjaringstermijn uit het Wetboek van economisch recht en die van de wet van 26 juni 2002. Maar als de schuldvordering is verjaard met betrekking ten aanzien van de curatele, moet ze ook als verjaard worden beschouwd ten aanzien van het FSO.

Juridische vraag (3)

Hoe zal het FSO te werk gaan om het definitieve bedrag van zijn schuldvordering te kunnen evalueren, rekening houdend met de termijnen bepaald in het Wetboek van economisch recht?

Standpunt FSO

Voor de sluitingsvergoeding en de overbruggingsvergoeding doet het FSO één aangifte van schuldvordering die 11 maanden na de datum van het faillissement definitief is. Wanneer het faillissement wordt afgesloten, zorgt het FSO ervoor dat het bedrag van zijn schuldvordering correct wordt opgenomen en in overeenstemming is met het verslag van de curator.

Motivering

Voor de faillissementen aangegeven vanaf 1 mei 2018 zal het FSO een enkele aangifte van schuldvordering doen, die 11 maanden na de datum van het faillissement onmiddellijk definitief zal zijn (zie nieuwsbrief nr. 61). Die aangifte heeft alleen betrekking op door het FSO betaalde sluitings- en overbruggingsvergoedingen, aangezien de andere vergoedingen geen aangifte van schuldvordering van het FSO vereisen door het subrogatierecht van het FSO in de rechten van de werknemers. Het FSO moet wel zelf een aangifte van schuldvordering indienen om de bedragen te kunnen terugvorderen die het heeft betaald als sluitingsvergoeding en overbruggingsvergoeding, en dus om het voorrecht te kunnen inroepen dat het toekomt op basis van art. 19, 4°ter van de hypotheekwet.

Artikel XX.161 van het Wetboek van economisch recht gaat over de termijnen waarin het proces-verbaal van verificatie van de aangiften van schuldvordering moet worden neergelegd. Dat artikel bevestigt dat de curatoren het eerste proces-verbaal van verificatie neerleggen in het Centraal Register Solvabiliteit (RegSol), uiterlijk op de in het vonnis van faillietverklaring bepaalde dag (eerste lid).

De werknemers moeten hun schuldvordering in het faillissement indienen binnen de daarvoor geldende termijnen. De bedragen op het aanvraagformulier F1 moeten overeenkomen met de bedragen die door de curator zijn aanvaard. Dit is noodzakelijk opdat het FSO zich kan beroepen op zijn wettelijk subrogatierecht in het faillissement.

De curator beoordeelt de schuldvordering van het FSO op dezelfde wijze als de andere ingediende vorderingen en stelt een afrekeningsverslag op. Het FSO controleert vervolgens of het bedrag van zijn vordering correct is opgenomen en of de verdeling in overeenstemming is met de toepasselijke wettelijke bepalingen. Indien het FSO vaststelt dat er een afwijking is, zal het de curator daarvan op de hoogte brengen en formeel aangeven het niet eens te zijn met de aflegging van de rekeningen.