Nieuwsbrief FSO nr. 87: De terugbetalingsplicht van de werkgever in geval van overmacht
Inhoud van deze pagina
Juridische vraag
De juridische vraag is of het FSO de vergoedingen die het heeft uitbetaald, uitgezonderd de betaalde verbrekingsvergoedingen en sluitingsvergoedingen, kan terugvorderen bij de werkgever wanneer de sluiting van de onderneming het gevolg is van overmacht.
Standpunt FSO
In geval van een sluiting van een onderneming wegens overmacht betaalt het FSO aan de werknemers van wie de arbeidsovereenkomst om die reden is beëindigd, de vergoedingen waarop zij recht zouden hebben gehad indien zij door de werkgever waren ontslagen. Artikel 47 van de wet van 26.06.2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat het FSO een tussenkomst kan verlenen in dergelijke gevallen voor de contractuele vergoedingen zoals bepaald in artikel 35 van dezelfde wet.
Dit betekent dat het FSO op grond van een eigen wettelijke bepaling een tussenkomst kan verlenen voor de verbrekingsvergoeding, hoewel deze niet door de werkgever verschuldigd is omdat de arbeidsovereenkomst door definitieve overmacht van rechtswege eindigt.
Daarnaast hebben deze werknemers recht op andere contractuele vergoedingen zoals bedoeld in artikel 35, waaronder achterstallig lonen, voordelen of vakantiegeld.
In principe hebben werknemers in deze situatie geen recht op een sluitingsvergoeding, aangezien er geen ontslag door de werkgever plaatsvindt en de werknemer evenmin ontslag neemt om dringende redenen in hoofde van de werkgever. Toch kent het FSO bij sluiting wegens overmacht een sluitingsvergoeding toe, omdat de werknemers de arbeidsovereenkomst zelf niet hebben opgezegd én zij zich in een feitelijk vergelijkbare positie bevinden als werknemers die door hun werkgever ontslagen worden.
Het FSO zal enkel de contractuele vergoedingen, met uitzondering van de verbrekingsvergoeding, terugvorderen van de werkgever, overeenkomstig artikel 61 van de wet van 26.06.2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. Het gaat daarbij om alle vergoedingen in de zin van artikel 35 van deze wet, uitgezonderd de verbrekingsvergoeding. De situatie van overmacht doet geen afbreuk aan deze terugbetalingsplicht. De verbrekingsvergoeding en de sluitingsvergoeding worden daarentegen niet teruggevorderd, aangezien zij bij een sluiting wegens overmacht geen schuld vormen van de werkgever en volledig ten laste blijven van het FSO.
Motivering
In een arrest van het arbeidshof Gent, afdeling Brugge, van 25.10.2024 (2023/AR/113) werd het standpunt van het FSO bevestigd. In deze zaak werd een onderneming in 2019 volledig vernield door een bedrijfsbrand, waardoor de productie moest worden stopgezet en de arbeidsovereenkomsten wegens overmacht een einde namen. Aangezien aan de voorwaarden voor overmacht waren voldaan, kon het FSO overgaan tot betaling aan de betrokken werknemers. Het FSO kende zowel sluitings- als contractuele vergoedingen toe, waaronder de verbrekingsvergoedingen.
Vervolgens vorderde het FSO, overeenkomstig artikel 61 van de wet van 26.06.2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, de uitbetaalde contractuele vergoedingen – met uitzondering van de verbrekingsvergoedingen – terug van de werkgever. De sluitingsvergoedingen werden niet teruggevorderd.
De arbeidsrechtbank wees deze terugvordering in eerste aanleg af. Volgens de rechtbank was artikel 61 niet van toepassing, aangezien de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten het gevolg was van overmacht en dus geen ontslag betrof. Verder stelde de rechtbank dat artikel 47 geen uitdrukkelijke terugvorderingsmogelijkheid bevat wanneer de beëindiging voortvloeit uit overmacht.
Het arbeidshof kwam in hoger beroep tot een andere beoordeling. Het hof stelde dat artikel 61 een algemene terugbetalingsplicht invoert zodra het FSO vergoedingen uitbetaalt op grond van artikel 35. Artikel 47, dat de specifieke tussenkomst bij overmacht regelt, bevat geen bepaling die de toepassing van de algemene terugbetalingsplicht van artikel 61 uitsluit of beperkt. De algemene terugvorderingsregeling blijft daarom ook in een situatie van overmacht onverkort van toepassing.
Met andere woorden: zodra het FSO wettelijke vergoedingen uitbetaalt die normaal gezien ten laste van de werkgever vallen, ontstaat automatisch een terugbetalingsverplichting. Het feit dat de arbeidsovereenkomst door overmacht is beëindigd, doet niets af aan dit principe. De verbrekingsvergoedingen en sluitingsvergoedingen worden evenwel niet teruggevorderd, aangezien deze bij overmacht niet door de werkgever verschuldigd zijn.
Het arbeidshof bevestigde dan ook dat het FSO gerechtigd was om de betrokken contractuele vergoedingen van de werkgever terug te vorderen.
Conclusie
De beslissing bevestigt het standpunt van het FSO dat de contractuele vergoedingen, uitgezonderd de verbrekingsvergoeding, ook bij sluiting wegens overmacht kunnen worden teruggevorderd bij de werkgever. Artikel 47 vormt daarbij geen uitzondering op de algemene terugbetalingsverplichting van artikel 61.
