Nieuwsbrief FSO nr. 88: De verjaringstermijnen van vorderingen van werknemers t.a.v. hun werkgever en de bewijskracht van data uit socialezekerheidsdatabanken

Juridische vragen

1. Welke verjaringstermijnen zijn van toepassing op vorderingen die een werknemer tegen zijn werkgever instelt?

2. Mag het FSO zich baseren op de gegevens van de socialezekerheidsdatabanken om de tewerkstellingsperiode van een werknemer vast te stellen?

Standpunt FSO

Wanneer een werknemer een aanvraag tot tussenkomst indient bij het FSO, moet het FSO nagaan of de gevorderde vergoedingen niet verjaard zijn. Daarbij maakt het een onderscheid tussen contractuele vorderingen (ex contractu) en buitencontractuele vorderingen (ex delicto), aangezien daarop verschillende verjaringstermijnen van toepassing zijn.

Om de aanvang en het verloop van die verjaringstermijnen te beoordelen, steunt het FSO op de gegevens van de socialezekerheidsdatabanken, met name de Dimona- en DmfA-gegevens van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ). Het behoort niet tot de bevoegdheid van het FSO om de juistheid van deze gegevens zelfstandig te onderzoeken of in vraag te stellen.

Motivering

Arbeidshof van Brussel (4de kamer), 07.04.2026, AR 2024/AB/587

  • Feiten

Een werknemer trad op 13.01.2012 in dienst bij een werkgever. Volgens gegevens uit de socialezekerheidsdatabanken en het formulier C4 eindigde de arbeidsovereenkomst op 31.03.2012, op dezelfde dag waarop de werkgever zijn activiteiten stopzette.

De werknemer beschikte echter over een handgeschreven brief ondertekend door de bestuurder van de onderneming waarin werd vermeld dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen op 06.04.2012.

Na de afsluiting van de vereffening op 17.06.2016 wegens gebrek aan activa, stelde de werknemer op 06.04.2017 een dagvaarding in voor de arbeidsrechtbank van Brussel tegen de werkgever en diens bestuurder.

Bij vonnis van 10.09.2018 willigde de rechtbank de vorderingen in en veroordeelde zij de werkgever tot betaling van verschillende bedragen. De werknemer diende vervolgens een aanvraagformulier F1 in bij het FSO en vorderde de bedragen die hem bij voormeld vonnis waren toegekend, met name achterstallig loon, schadevergoeding, vakantiegeld en een verbrekingsvergoeding.

Het FSO was evenwel van oordeel dat de vorderingen van de werknemer ten aanzien van de werkgever kennelijk verjaard waren. Op 28.02.2020 stelde het FSO derdenverzet in tegen dit vonnis.

De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat de vorderingen van de werknemer duidelijk verjaard waren. Zij stelde het FSO in het gelijk en vernietigde het vonnis van 10.09.2018.

De werknemer stelde op 09.09.2024 hoger beroep in. Bij arrest van 07.04.2026 verklaarde het arbeidshof te Brussel het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en bevestigde het de vernietiging van het vonnis van 10.09.2018 in al zijn onderdelen ten aanzien van het FSO.

  • Beslissing van het hof

Het arbeidshof herinnert er vooreerst aan dat het FSO krachtens artikel 35 van de wet van 26.06.2002 betreffende de sluiting van ondernemingen een subsidiaire rol vervult. Het FSO komt slechts tussen wanneer een werkgever die in geval van sluiting, haar geldelijke verplichtingen tegenover haar werknemers niet meer nakomt.

Het FSO kan bijgevolg geen tussenkomst verlenen voor vorderingen die de werkgever niet langer verschuldigd is, bijvoorbeeld omdat zij verjaard zijn.

Vervolgens onderscheidt het arbeidshof twee categorieën van vorderingen:

  • Vorderingen ex contractu die rechtstreeks voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Deze vorderingen zijn onderworpen aan de verjaringstermijn van één jaar zoals voorzien in artikel 15 van de wet van 03.07.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het hof benadrukt dat het begrip “rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan” ruim moet worden geïnterpreteerd: het volstaat dat de vordering niet zonder de arbeidsovereenkomst had kunnen ontstaan, zelfs indien zij haar grondslag (mede) vindt in andere wettelijke bepalingen. De verjaringstermijn begint te lopen op de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
  • Vorderingen ex delicto die voortvloeien uit een misdrijf. Deze vorderingen zijn onderworpen aan de verjaringstermijn van vijf jaar krachtens artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en artikel 2262bis, §1, tweede lid, van het oude Burgerlijk Wetboek. Het hof preciseert dat de niet-betaling van loon een ogenblikkelijk misdrijf vormt dat wordt gepleegd op de uiterste betaaldatum van het verschuldigde loon. Bijgevolg is de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing op elke burgerlijke rechtsvordering die gebaseerd is op feiten die een strafrechtelijke inbreuk uitmaken, zelfs wanneer diezelfde feiten ook een contractuele fout impliceren.

Wat de concrete aanvang van de verjaring betreft, geldt dat het niet-betalen van loon wordt geacht plaats te vinden op de uiterste datum waarop het loon verschuldigd was. Bij gebrek aan afwijkende bepalingen moet het loon uiterlijk worden betaald op de vierde werkdag na het einde van de arbeidsperiode waarop het betrekking heeft. De verjaringstermijn begint te lopen vanaf die datum en wordt berekend overeenkomstig de regels van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de aanvangsdag niet wordt meegerekend en de termijn verstrijkt op het einde van de laatste dag.

In het voorliggende geval stelde de werknemer zijn vorderingen in bij dagvaarding betekend op 06.04.2017. Zowel de gegevens van de socialezekerheidsdatabanken, als het formulier C4 wijzen erop dat de arbeidsovereenkomst eindigde op 31.03.2012.

De werknemer hield evenwel voor dat de arbeidsovereenkomst pas op 06.04.2012 werd beëindigd. Het FSO betwistte dit en stelde dat de beëindiging op 31.03.2012 plaatsvond. Het hof volgt dit standpunt en wijst erop dat de gegevens uit de socialezekerheidsdatabanken een zekere datum hebben. In casu werd gedurende veertien jaar geen enkele poging ondernomen om deze gegevens te wijzigen. Het arrest bevestigt dat het FSO zich rechtsgeldig mag baseren op de Dimona- en DmfA-gegevens van de KSZ om de tewerkstellingsperiodes vast te stellen.

Toegepast op de concrete vorderingen leidt dit tot het volgende:

  • De vordering tot betaling van de verbrekingsvergoeding is een contractuele vordering (ex contractu) die onderworpen is aan een verjaringstermijn van één jaar. Deze vordering was bijgevolg verjaard sinds 01.04.2013.
  • De vordering tot betaling van achterstallig loon is een buitencontractuele vordering (ex delicto) die onderworpen is aan een verjaringstermijn van vijf jaar. Deze vordering was verjaard sinds 01.04.2017. Hetzelfde geldt voor de vordering tot betaling van vertrekvakantiegeld.

De vraag of het niet-betalen van loon moet worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijk dan wel een voortdurend misdrijf, is in casu niet doorslaggevend, aangezien de vijfjarige verjaringstermijn hoe dan ook volledig verstreken was vóór de betekening van de inleidende dagvaarding.

Hieruit volgt dat de vorderingen van de werknemer op het ogenblik van het instellen van de procedure reeds verjaard waren, zowel voor de contractuele als voor de buitencontractuele aanspraken. Aangezien het FSO overeenkomstig artikel 35 van de wet van 26.06.2002 slechts kan tussenkomen binnen de grenzen van de verplichtingen die nog op de werkgever rusten, kan het FSO niet gehouden zijn tot betaling van bedragen die juridisch niet meer verschuldigd zijn wegens verjaring.

Conclusie

Het arrest bevestigt aldus dat het FSO terecht zijn tussenkomst heeft geweigerd en dat het zich rechtsgeldig kan beroepen op de verjaring van de onderliggende schuldvorderingen. Dit onderstreept bovendien het belang van de gegevens uit de socialezekerheidsdatabanken als betrouwbaar referentiepunt voor de bepaling van de tewerkstellingsperiodes en de aanvang van de verjaringstermijnen.