Nieuwsbrief FSO nr. 77 - 0nderscheid tussen de bevoegdheden van de vrijwillige of gerechtelijke vereffenaars en de vereffenaars na de afsluiting van een faillissement wat de ondertekening van het formulier F1 betreft

Juridische vraag 

Wat zijn de belangrijkste verschillen in de bevoegdheden van vereffenaars om het F1-formulier te ondertekenen, afhankelijk van het feit of ze zijn aangesteld in het kader van een vereffening of na de afsluiting van een faillissement?

Standpunt FSO

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen vrijwillige of gerechtelijke vereffenaars en vereffenaars die worden aangesteld na de afsluiting van het faillissement van een onderneming, aangezien ze niet identiek dezelfde bevoegdheden hebben. Eerstgenoemden hebben meer bevoegdheden dan laatstgenoemden, die een veel passievere rol spelen. 

Volgens de eerste paragraaf van artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 2007 tot uitvoering van de wet van 26 juni 2002 zijn de volgende bepalingen van toepassing op de ondertekening van het F1-formulier : 'De werknemer of zijn mandataris en, naargelang het geval, de werkgever of zijn mandataris, de curator, de vereffenaar vermelden de passende inlichtingen op het formulier, verklaren die correct en ondertekenen die gezamenlijk, en voegen, zo nodig, de stukken bij die deze inlichtingen bewijzen.'

Artikel 45 van datzelfde koninklijk besluit bepaalt het volgende: 'Het formulier wordt bij het Fonds ingediend door de werknemer of zijn mandataris.'

Artikel 65 van de wet van 26 juni 2002 bepaalt dat het verzoek bij het FSO wordt ingediend op initiatief van de werknemer of zijn mandataris.

Daarom zijn curatoren niet gemachtigd het F1-formulier te ondertekenen wanneer het faillissement is afgesloten, aangezien ze op dat moment van hun taken ontheven zijn. Artikel XX.172 van het Wetboek van Economisch Recht bepaalt het volgende: 'De beslissing tot sluiting van de verrichtingen van het faillissement van de rechtspersoon ontbindt deze en brengt de onmiddellijke sluiting van zijn vereffening mee. (...) De beslissing wordt door toedoen van de curator bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Dit uittreksel vermeldt de naam, voornaam, elektronisch adres en het adres van de personen die als vereffenaars worden beschouwd (...)'.

De vereffenaars na afsluiting van het faillissement worden dus na het faillissement aangesteld door de rechtbank en volgen de curatoren op. Hun rol is beperkt tot het verzekeren van het passief voortbestaan van de ontbonden onderneming. Zo kan de onderneming op procedurele wijze nog steeds verdedigd worden. Derden kunnen dan hun rechten doen gelden tegen de onderneming in kwestie, vertegenwoordigd door één of meerdere vereffenaars. Bovendien kan de onderneming, hoewel ze zich kan verzetten tegen vorderingen die tegen de onderneming worden ingesteld, niet op eigen initiatief vorderingen instellen.

Daarentegen speelt een vereffenaar in een vrijwillige of gerechtelijke vereffening een actieve rol op grond van artikel 2:87 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Dat geeft hem het recht om F1-formulieren te ondertekenen.

Motivering

De rechtspraak deelt het huidige standpunt van het FSO over de bevoegdheid om het F1-formulier te ondertekenen. De beslissingen hieronder tonen dat aan:

  • In een vonnis van het arbeidshof van Luik (afdeling Luik) van 26 november 2018 (C. trav. Liège, div. Liège, 26 november 2018, AR 2017/AL/649), had dat hof al uitdrukkelijk aan herinnerd dat de vrijwillige of gerechtelijke vereffenaar een actieve rol heeft en met name vorderingen kan instellen en ondersteunen, betalingen kan ontvangen, F1-formulieren kan ondertekenen, compromissen kan sluiten, enz., in tegenstelling tot de vereffenaar na de sluiting van het faillissement, die geen van die handelingen kan verrichten. In die zaak ondertekende een vereffenaar na de afsluiting van het faillissement het F1-formulier, waarmee hij zijn bevoegdheden overschreed.
  • In een gelijkaardige beslissing van 2019, ook van het arbeidshof van Luik (C. trav. Liège, div. Liège, 20 augustus 2019, AR 2018/191/A), heeft het hof bevestigd dat artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 2007 tot uitvoering van de wet van 26 juni 2002 enkel verwijst naar de curator tijdens het faillissement en de vereffenaar tijdens de vereffening. Na afsluiting van het faillissement zijn noch de ex-werkgever, noch de curator wiens mandaat werd beëindigd, noch de vereffenaar na faillissement bevoegd om de F1-formulieren te ondertekenen.

Die zaak betrof een werknemer die zijn laatste vordering had ingediend na de afsluiting van het faillissement. Het F1-formulier was ook na de afsluiting van het faillissement ondertekend, een eerste keer door de curator en een tweede keer door de vereffenaar.

Op eensluidend advies van het arbeidsauditoraat heeft het hof beslist dat door de afsluiting van het faillissement de opdracht van de curator was beëindigd, waardoor hij niet meer over het mandaat beschikte om het F1-formulier geldig te ondertekenen. Met betrekking tot de vereffenaar na de afsluiting van het faillissement oordeelde het hof dat de vereffenaar slechts een passieve rol had, die uitsluitend bestond in het verdedigen van de belangen van de onderneming door te zorgen voor het passieve voortbestaan van de ontbonden vennootschap, zonder dat hij enige concrete actie kon ondernemen, zoals het ondertekenen van een formulier F1. Anderzijds is het hof van oordeel dat een vereffenaar in een vrijwillige of gerechtelijke vereffening een actieve rol speelt op grond van artikel 2:87 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

Er kan dus worden vastgesteld dat in dit geval zowel de curator als de vereffenaar na de afsluiting van het faillissement, die het F1-formulier ondertekenden, hun mandaat en hun passieve rol overschreden.

  • In een nieuwe recente beslissing, ook uit Luik, en meer bepaald van de arbeidsrechtbank van Luik (T. trav. Liège, div. Liège, 7 april 2023, AR 21/2142/A), werd eraan herinnerd dat het onderscheid tussen de twee soorten vereffenaars belangrijk blijft, met name voor de tussenkomst van het FSO. Vanaf het moment van de faillietverklaring kan de zaakvoerder van de onderneming het F1-formulier, dat het bedrijf bindt, niet meer ondertekenen en na de afsluiting van het faillissement wordt de curator ontheven van zijn taken, zodat hij dat formulier ook niet meer kan indienen.

In die zaak spande de werknemer een rechtszaak aan tegen de vereffenaar om betaling van de onbetaalde contractuele vergoedingen en een veroordeling tot het ondertekenen van het F1-formulier in die zaak te verkrijgen.

Dat vonnis herinnert ons er opnieuw aan dat vereffenaars na de afsluiting van een faillissement een louter passieve rol hebben, in tegenstelling tot vrijwillige of gerechtelijke vereffenaars, wier opdracht veel ruimer is. De vereffenaar na faillissement wordt aangesteld door de rechtbank en volgt de curator op. Zijn rol is beperkt tot het passief voortbestaan van de ontbonden vennootschap. Derden kunnen dan vorderingen instellen tegen de onderneming in het kader van het passieve voortbestaan van de onderneming. Omdat het een passief voortbestaan is, is het beperkt tot een procedurele verdedigende rol. De onderneming mag zich verzetten tegen vorderingen die tegen de onderneming worden ingesteld, maar ze mag geen vorderingen instellen.

Volgens de rechter moeten vereffenaars na de afsluiting van een faillissement dus niet worden ondergebracht onder de termen 'curator' of 'vereffenaar' in de zin van artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 2007, aangezien ze geen enkele handeling kunnen verrichten zoals het ondertekenen van een formulier F1.

De administratieve praktijk van het FSO wordt bevestigd door de hierboven vermelde uitspraken.