Follow us on twitter

U bent hier

Loopbaanonderbreking

Welke bevoegdheden zijn er in het Sociaal Strafwetboek toegekend aan de sociaal inspecteurs voor de uitoefening van hun opdrachten?

  1. Een sociaal inspecteur mag op elk uur van de dag en van de nacht zonder voorafgaande verwittiging vrij een arbeidsplaats betreden waarvan hij een redelijk vermoeden heeft dat er personen werken (artikel 23 van het Sociaal Strafwetboek).
  2. Een sociaal inspecteur mag de identiteit (met het rijksregisternummer) van iedereen op de arbeidsplaats nagaan: alle loontrekkenden en zelfstandigen, werkgevers en de eventuele aangestelden of mandatarissen van de werkgever. Hij mag een identiteitsbewijs, verblijfsdocument of een ander niet-officieel document opvragen dat nuttig is voor de identificatie van een persoon (artikel 26 van het Sociaal Strafwetboek).  
  3. Een sociaal inspecteur mag iedereen verhoren van wie hij een verhoor noodzakelijk vindt, met naleving van de rechten van de ondervraagde (artikel 27 van het Sociaal Strafwetboek).
  4. Een sociaal inspecteur mag alle documenten ontvangen die zich op de arbeidsplaats bevinden: de documenten met sociale gegevens en de documenten met alle andere gegevens (artikelen 28 en 29 van het Sociaal Strafwetboek).
    Als de informatie in een informaticasysteem zit, moet de werkgever, of moeten zijn aangestelden of mandatarissen, ervoor zorgen dat de sociaal inspecteur daar toegang toe heeft (artikelen 31 en 32 van het Sociaal Strafwetboek).
    De gevraagde informatie moet op een leesbare en verstaanbare manier worden doorgestuurd (artikel 30 van het Sociaal Strafwetboek).
  5. Een sociaal inspecteur mag kopieën nemen van de documenten die hij heeft ontvangen op de arbeidsplaats of hij mag die kosteloos door de werkgever, zijn aangestelden of mandatarissen laten bezorgen (artikel 34 van het Sociaal Strafwetboek).
  6. Een sociaal inspecteur mag documenten met sociale gegevens, roerende en andere onroerende goederen in beslag nemen of verzegelen. Die maatregelen worden genomen als ze nodig zijn voor de opsporing of het onderzoek of voor de samenstelling van de bewijzen van de inbreuk of wanneer het risico bestaat dat de vastgestelde inbreuk blijft bestaan met die documenten of dat er nieuwe inbreuken worden gepleegd (artikel 35 van het Sociaal Strafwetboek).

Welke plichten zijn er in het Sociaal Strafwetboek toegekend aan de sociaal inspecteurs bij de uitoefening van hun opdrachten?

  1. Een sociaal inspecteur moet vóór de controle zijn hoedanigheid meedelen en zijn legitimatiebewijs voorleggen (artikel 20 van het Sociaal Strafwetboek).
  2. Een sociaal inspecteur ziet erop toe dat de middelen die ze gebruiken in het kader van de controle passend en noodzakelijk zijn voor het doel van de uitgevoerde controle (artikel 19 van het Sociaal Strafwetboek).
  3. Een sociaal inspecteur moet de nodige maatregelen nemen om de vertrouwelijkheid te garanderen van de sociale gegevens van persoonlijke aard waarvan hij kennis heeft gekregen (artikel 58 van het Sociaal Strafwetboek).
  4. Een sociaal inspecteur moet aan iedereen die hij wil verhoren vooraf zijn rechten meedelen en melden dat ze een gratis kopie van het verhoor kunnen vragen (artikelen 62 en 63 van het Sociaal Strafwetboek).
  5. Een sociaal inspecteur mag in geen geval de naam van de indiener van een klacht of een aangifte bekendmaken, zelfs niet voor het gerecht, tenzij die persoon zijn uitdrukkelijke toestemming geeft (artikel 58 van het Sociaal Strafwetboek).
  6. Een sociaal inspecteur mag geen enkel belang hebben in de personen, ondernemingen of instellingen die hij controleert (artikel 60 van het Sociaal Strafwetboek).
  7. Een sociaal inspecteur moet de deontologische regels naleven, zoals de onschendbaarheid van de woonplaats, de naleving van het beroepsgeheim of de naleving van het taalgebruik (artikel 61 van het Sociaal Strafwetboek).

Welke documenten kan een sociaal inspecteur opvragen aan een werkgever, zijn aangestelde of mandataris?

  1. De individueel opgestelde arbeidsovereenkomst voor elke deeltijdse werknemer met vermelding van de arbeidsregeling (vast of variabel) en het werkrooster (vast of variabel) van de periode vóór de loopbaanonderbreking of van de periode van de loopbaanonderbreking.
  2. Het schriftelijke individueel opgestelde avenant bij de arbeidsovereenkomst (addendum) voor elke deeltijdse werknemer, met de arbeidsregeling (vast of variabel) en het werkrooster (vast of variabel) van de periode van de loopbaanonderbreking. 
  3. Het arbeidsreglement met de manier waarop en de termijn waarbinnen de variabele werkroosters moeten worden meegedeeld.
  4. Het schriftelijke en gedateerde bericht met de variabele werkroosters die de deeltijdse werknemers effectief moeten presteren om na te gaan of de werknemers hun prestaties tijdens de afgesproken periodes uitvoeren.
    Dat bericht moet een jaar worden bewaard vanaf de dag waarop het werkrooster niet langer van kracht is.
  5. Een document met alle afwijkingen op de werkroosters van de deeltijdse werknemers.
    Dat document moet 5 jaar lang worden bewaard.
    De werkgever hoeft geen afwijkingsdocument te hebben als hij een systeem voor tijdsopvolging gebruikt zoals een priksysteem.
  6. Gegevens over de prestaties en de lonen van de werknemers. Bijvoorbeeld: individuele rekening, loonfiches, prestatielijsten.
  7. Een conventionele juridische basis die een ADV-regeling in de onderneming toekent (bijvoorbeeld een collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal niveau).
  8. Een ondernemingsakkoord afgesloten in het kader van een herstructurering en dat een impact zou kunnen hebben op de controle.
  9. Alle andere documenten die volgens de sociaal inspecteur nuttig zijn voor zijn onderzoek.

Welke gevolgen zijn er als er onregelmatigheden en/of inbreuken worden vastgesteld?

  1. Een waarschuwing.
  2. Een regularisatietermijn om alles in orde te brengen.
  3. Een proces-verbaal van vaststelling van de inbreuken dat aan het bevoegde arbeidsauditoraat wordt bezorgd en dat tot strafrechtelijke of administratieve sancties kan leiden.

Een RVA-kantoor zoeken

Top