Ik heb werkloosheidsuitkeringen gevraagd na 28.02.2026. Worden mijn uitkeringen beperkt in de tijd?

T202

Laatste update : 2.03.2026

Waarover gaat dit infoblad?

In toepassing van de wet van 18.07.2025 worden de werkloosheidsuitkeringen beperkt in de tijd. Deze wet treedt in werking op 01.03.2026.

Voor werknemers die al vóór 01.03.2026 werkloosheidsuitkeringen genoten, gelden bepaalde overgangsmaatregelen. Die worden uitgelegd in het infoblad "Ik heb werkloosheidsuitkeringen genoten vóór 1 maart 2026. Worden mijn uitkeringen beperkt in de tijd?", nr. T33.

In dit infoblad leggen we u de regels uit voor werklozen die:

  • ofwel pas voor de eerste keer een uitkeringsaanvraag indienen na 28.02.2026;
  • ofwel onder de overgangsmaatregelen vielen, maar na 28.02.2026, na een onderbreking van minstens 4 weken, een uitkeringsaanvraag indienen en aan de voorwaarden voldoen om een nieuw recht op werkloosheidsuitkeringen te openen. Zie het infoblad "Hebt u recht op uitkeringen na een tewerkstelling – situatie vanaf 01.03.2026?", nr. T200.

Val ik onder de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd?

Voor welke categorieƫn van werknemers geldt de beperking niet?

Uw recht op werkloosheidsuitkeringen wordt niet beperkt in de volgende gevallen:

  • u bent volledig werkloze erkende havenarbeider, zeevisser, vislosser of vissorteerder;
  • u bent SWT'er.
  • Lees de infobladen:
    • T124, "Welke zijn de voorwaarden om recht te hebben op het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT)?"
    • T125, "Welke verplichtingen heeft een werknemer in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT)?"
    • T4, "Hoe wordt het bedrag van uw stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag berekend?";
  • u hebt recht op een kunstwerkuitkering of een specifieke forfaitaire uitkering in geval uw recht op een kunstwerkuitkering is geëindigd. Lees het infoblad T191, "Welke specifieke regels zijn van toepassing op de kunstwerkers vanaf 1 januari 2024?";
  • u geniet een werkloosheidsuitkering als mindervalide werknemer die is tewerkgesteld in een beschermde werkplaats (uitdovende regeling sedert 01.07.2004);
  • u bent 55 jaar én u bewijst voldoende beroepsverleden.

Wanneer moet ik de leeftijd van 55 jaar bereiken?

U moet de leeftijd van 55 jaar bereiken op het ongenblik dat u het recht op werkloosheidsuitkeringen opent. Het feit 55 jaar te worden in de loop van de periode waarvoor u recht op uitkeringen hebt, is dus zonder belang.

Wat is "voldoende" beroepsverleden dat u nodig hebt om niet onder de beperking in de tijd te vallen en hoe wordt dat bepaald?

Hoeveel beroepsverleden?

U moet een aantal jaren beroepsverleden bewijzen op het ongenblik dat u het recht op werkloosheidsuitkeringen opent. Het feit dat beroepsverleden te bewijzen in de loop van de periode waarvoor u recht op uitkeringen hebt, is dus zonder belang.

Opgelet: dat beroepsverleden wordt vanaf 2026 elk jaar met een jaar verhoogd, tot 35 jaar in 2030.

U vraagt voor het eerst uitkeringen aan
na 28.02.2026

OF

U doet na 28.02.2026 een uitkeringsaanvraag omdat u voldoet aan de voorwaarden om een nieuw recht op uitkeringen te openen

 

Te bewijzen beroepsverleden

In 2026

31 jaar

In 2027

32 jaar

In 2028

33 jaar

In 2029

34 jaar

Na 2029

35 jaar

Opgelet: indien u bij een vorige aanvraag al voldoende beroepsverleden bewees om onbeperkt uitkeringen te genieten, dan blijft u bij een nieuwe aanvraag verder onbeperkt uitkeringen genieten, zelfs al zou u op dat ogenblik niet meer aan de strengere voorwaarden voldoen.

Voorbeeld 1:

U vraagt voor het eerst uitkeringen vanaf 01.07.2027. U bent dan 55 jaar.

U moet 32 jaar beroepsverleden bewijzen.

Voorbeeld 2:

U genoot uitkeringen tot en met 30.06.2027. Op die datum nam uw recht een einde.

U voldoet op 07.02.2028 opnieuw aan de voorwaarden om een nieuw recht op werkloosheidsuitkeringen te openen, u hebt namelijk 312 arbeids- en/of gelijkgestelde dagen bewezen in een referteperiode van 36 maanden. U bent dan 55 jaar.
Zie het infoblad "Hebt u recht op uitkeringen na een tewerkstelling – situatie vanaf 01.03.2026?", nr. T200.

U moet 33 jaar beroepsverleden bewijzen.

Voorbeeld 3:

U vroeg op 04.05.2026 voor het eerst uitkeringen aan. U was dan 55 jaar.

U moest toen 31 jaar beroepsverleden bewijzen. Dat was het geval en uw recht werd dus niet in de tijd beperkt.

Na een onderbreking in uw werkloosheid voldoet u op 05.02.2029 opnieuw aan de voorwaarden om een nieuw recht op werkloosheidsuitkeringen te openen, u hebt namelijk 312 arbeids- en/of gelijkgestelde dagen bewezen in een referteperiode van 36 maanden.

U zou dan 34 jaar beroepsverleden moeten bewijzen. U kunt dat niet bewijzen.

Maar aangezien u al bij een vorige aanvraag aan alle voorwaarden voldeed om onbeperkt uitkeringen te genieten, kunt u ook nu verder onbeperkt uitkeringen genieten.

Het beroepsverleden wordt berekend door alle arbeids- en gelijkgestelde dagen op te tellen en het totaal te delen door 312. Is de decimaal na deling minstens 5, dan wordt het aantal jaren met één eenheid verhoogd. Is de decimaal na deling minder dan 5, dan wordt die weggelaten. Bijvoorbeeld: 29,5 = 30; 29,4 = 29.

Welke dagen tellen mee als beroepsverleden dat u nodig hebt om niet onder de beperking in de tijd te vallen?

Het beroepsverleden van 31 tot 35 jaar bestaat uit arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen.

Arbeidsdagen zijn dagen waarop werd gewerkt, met een loon dat volgens de wetgeving als voldoende wordt beschouwd en waarop inhoudingen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid inbegrepen, werden verricht. Dat betekent dat enkel dagen in loondienst in rekening worden gebracht, maar bv. niet arbeidsprestaties als zelfstandige.

Sommige dagen worden gelijkgesteld met arbeidsdagen:

  • vakantiedagen gedekt door vakantiegeld;
  • feest- en vervangingsdagen tijdens periodes van tijdelijke werkloosheid;
  • dagen inhaalrust;
  • niet gepresteerde dagen tijdens een arbeidsovereenkomst waarvoor een loon werd betaald waarop inhoudingen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid inbegrepen, werden verricht;
  • dagen van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, een arbeidsongeval of een beroepsziekte, waarvoor de werkgever een gewaarborgd loon of een aanvulling bovenop een uitkering van de mutualiteit betaalde (normaal de eerste dertig dagen);
  • carenzdagen (de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van een arbeider die vóór 2014 niet vergoed werd);
  • dagen gedekt door een uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, arbeidsongevallen of beroepsziektes;
  • dagen gedekt door een invaliditeitspensioen voor mijnwerkers;
  • vergoede dagen wegens tijdelijke werkloosheid (bv. wegens economische redenen of slecht weer);
  • dagen van staking, lock-out en de dagen van tijdelijke werkloosheid wegens staking of lock-out (deze dagen moeten niet noodzakelijk vergoed zijn in het kader van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid);
  • dagen waarop niet werd gewerkt wegens vorst en die door het Fonds voor Bestaanszekerheid van de Werklieden uit het Bouwbedrijf werden vergoed (deze dagen zijn meestal, maar niet altijd, vergoed in het kader van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid);
  • dagen waarop werd gewerkt als rechter in sociale zaken;
  • dagen van afwezigheid op het werk om pleegzorgen te verstrekken;
  • dagen van afwezigheid zonder loon, met een maximum van tien dagen per jaar;
  • dagen waarop een minstens halftijdse beroepsopleiding werd gevolgd;
  • dagen waarop een instapstage werd gevolgd, met een maximum van 96 dagen;
  • dagen van tewerkstelling in een beschermde werkplaats als moeilijk te plaatsen mindervalide werkloze (uitdovende regeling sedert 01.07.2004);
  • dagen van tewerkstelling als tewerkgestelde werkloze;
  • dagen van oproeping of wederoproeping onder de wapens of als gewetensbezwaarde.

Indien een overgangsuitkering (de uitkering waarop een weduwe/weduwnaar recht heeft indien hij/zij niet voldoet aan de minimumleeftijd voor een overlevingspensioen) is betaald voor de maximale periode van 2 jaar, voorzien door de pensioenregelgeving, kan die periode voor 624 dagen als gelijkgestelde periode in rekening worden gebracht.

Voltijds of deeltijds beroepsverleden?

Of u het beroepsverleden voltijds of deeltijds moet bewijzen, hangt af van uw statuut:

  • bent u een voltijdse werknemer, dan moet u het beroepsverleden omgerekend voltijds bewijzen. Dat betekent niet dat periodes van deeltijdse tewerkstelling niet meetellen, maar wel dat ze moeten worden omgerekend.

Voorbeeld: hebt u gedurende twee kalenderjaren halftijds gewerkt, dan telt dit als één jaar (omgerekend) voltijds beroepsverleden.

Opgelet: werkt u deeltijds en hebt u het statuut van "deeltijdse werknemer met behoud van rechten" (dat is een onvrijwillig deeltijdse werknemer), dan wordt u beschouwd als een voltijdse werknemer en moet u het beroepsverleden omgerekend voltijds bewijzen.

  • bent u een vrijwillig deeltijdse werknemer, dan moet u het beroepsverleden omgerekend halftijds bewijzen. Dat betekent niet dat periodes van voltijdse tewerkstelling niet meetellen, maar wel dat ze enkel halftijds in rekening worden gebracht.

U kunt in ieder geval nooit meer dan 312 volle of halve dagen per kalenderjaar inroepen.

Voor meer uitleg over de statuten "deeltijdse werknemer met behoud van rechten" en "vrijwillig deeltijdse werknemer": lees het infoblad T28, "Waarop heeft een deeltijdse werknemer recht?".

Hoe lang heb ik recht op werkloosheidsuitkeringen?

Principe

U hebt recht op uitkeringen:

  • gedurende een "basisperiode" van 12 maanden ("eerste vergoedingspeirode" genoemd)
  • "uitgebreid" met één maand per 104 dagen beroepsverleden, met een maximum van 12 maanden ("tweede vergoedingsperiode" genoemd).

In bepaalde gevallen kan de einddatum van het recht op uitkeringen worden opgeschoven

Hoe wordt het beroepsverleden berekend dat u nodig hebt om de duur van de tweede vergoedingsperiode te bepalen?

Welke dagen tellen (niet) mee als beroepsverleden dat u nodig hebt om de duur van de tweede vergoedingsperiode te bepalen?

Het beroepsverleden is samengesteld uit arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen.

Arbeidsdagen zijn dagen waarop werd gewerkt, met een loon dat volgens de wetgeving als voldoende wordt beschouwd en waarop inhoudingen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid inbegrepen, werden verricht. Dat betekent dat enkel dagen in loondienst in rekening worden gebracht, maar bv. niet arbeidsprestaties als zelfstandige.

Sommige dagen worden gelijkgesteld met arbeidsdagen:

  • vakantiedagen gedekt door vakantiegeld;
  • feest- en vervangingsdagen waarvoor een loon werd betaald;
  • dagen inhaalrust;
  • niet gepresteerde dagen tijdens een arbeidsovereenkomst waarvoor een minstens minimumloon werd betaald waarop inhoudingen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid inbegrepen, werden verricht;
  • dagen van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, een arbeidsongeval of een beroepsziekte, waarvoor de werkgever een gewaarborgd loon of een aanvulling bovenop een uitkering van de mutualiteit betaalde (normaal de eerste dertig dagen);
  • dagen waarvoor een moederschapsuitkering is genoten, de periode van verplichte moederschapsrust en de periodes van geboorte- en adoptieverlof;
  • vergoede dagen wegens tijdelijke werkloosheid (bv. wegens economische redenen of slecht weer);
  • dagen van staking, lock-out en de dagen van tijdelijke werkloosheid wegens staking of lock-out (deze dagen moeten niet noodzakelijk vergoed zijn in het kader van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid);
  • dagen waarop werd gewerkt als rechter in sociale zaken;
  • dagen van afwezigheid op het werk om pleegzorgen te verstrekken.

Opgelet: het betreft hier niet dezelfde gelijkgestelde dagen als die dagen die gebruikt kunnen worden om het beroepsverleden van minstens 31 tot 35 jaar te bewijzen (zie hierboven). De regeling is hier strenger.

Bepaalde periodes tellen niet mee, hoewel ze gedekt zijn door arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, omdat ze al eens "gebruikt" zijn.

Het gaat meer bepaald om de volgende dagen:

  • dagen die werden gebruikt om uw recht op werkloosheidsuitkeringen te openen. U moet namelijk 312 arbeidsdagen en/of gelijkgestelde dagen bewijzen in een referteperiode van 36 maanden. Zie het infoblad "Hebt u recht op uitkeringen na een tewerkstelling – situatie vanaf 01.03.2026?", nr. T200. Deze dagen tellen niet mee als beroepsverleden;
  • dagen die werden gebruikt om de duur van een eerdere tweede vergoedingsperiode van maximaal 12 maanden te bepalen, wanneer de betrokken maand niet volledig gedekt is door een situatie die verlengend werkt (zie hieronder);
  • dagen die in het kader van de regelgeving vóór 01.03.2026 effectief werden gebruikt om de tweede vergoedingsperiode te bepalen;
  • dagen die in het kader van de overgangsregeling werden gebruikt om te bepalen of er al dan niet 5 jaar beroepsverleden wordt bewezen. Zie het infoblad "Ik heb werkloosheidsuitkeringen genoten vóór 1 maart 2026. Worden mijn uitkeringen beperkt in de tijd?", nr. T33.
Hoe wordt het beroepsverleden concreet berekend?

Het beroepsverleden wordt berekend door alle arbeids- en gelijkgestelde dagen op te tellen en het totaal te delen door 104. Is de decimaal na deling minstens 5, dan wordt het beroepsverleden met één eenheid verhoogd. Is de decimaal na deling minder dan 5, dan wordt die weggelaten. Bijvoorbeeld: 4,5 = 5; 4,4 = 4.

Voorbeelden

Voorbeeld 1:

U geniet voor het eerst werkloosheidsuitkeringen vanaf 06.04.2026.

U bewijst een beroepsverleden van 896 dagen. Dat geeft recht op een tweede vergoedingsperiode van 896/104 = 8,61 = 9 maanden.

U hebt recht op uitkeringen als volgt:

Vanaf

Periode / fase

06.04.2026

Eerste vergoedingsperiode

06.04.2027

Tweede vergoedingsperiode

06.01.2028

Einde recht

Voorbeeld 2:

U genoot al eerder werkloosheidsuitkeringen (sedert 02.09.2024). Na een onderbreking bewijst u opnieuw 312 arbeids- en gelijkgestelde dagen in een periode van 36 maanden. U opent een nieuw recht op uitkeringen op 01.06.2026.

U bewijst een beroepsverleden van 2.365 dagen. Dat geeft recht op een tweede vergoedingsperiode van 2.365/104 = 22,74 = 23 maanden, evenwel beperkt tot 12 maanden.

U hebt recht op uitkeringen als volgt:

Vanaf

Periode / fase

01.06.2026

Eerste vergoedingsperiode

01.06.2027

Tweede vergoedingsperiode

01.06.2028

Einde recht

Kan de einddatum van mijn recht worden opgeschoven?

Verlenging?

1.     In de volgende gevallen kunnen de einddatum van het recht EN de vergoedingsperiodes worden opgeschoven:

Situatie

Minimale duur van die situatie

1.    Voltijdse tewerkstelling

geen

2.    Deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten zonder inkomensgarantie-uitkering
(Voor meer info: lees het infoblad T28, "Waarop heeft een deeltijdse werknemer recht?")

geen

3.    Deeltijdse tewerkstelling als vrijwillig deeltijdse werknemer zonder werkloosheidsuitkeringen, indien het uurrooster per week minstens 12 uur of één derde van een voltijds uurrooster bedraagt
(Voor meer info: lees het infoblad T28, "Waarop heeft een deeltijdse werknemer recht?")

geen

4.    Andere arbeidsdagen dan hierboven voorzien

geen

5.    Periodes gedekt door moederschapsuitkeringen, de periode van verplichte moederschapsrust en de periodes van geboorte- en adoptieverlof

geen

6.    Tewerkstelling in een beroep dat niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt (bv. zelfstandige, vastbenoemd ambtenaar, vastbenoemde leerkracht), voor zover er geen uitkeringen zijn genoten

3 maanden

Opgelet: in de regel wordt de einddatum van het recht opgeschoven met een bepaalde periode, behalve in situatie 4 waar de einddatum van het recht wordt opgeschoven met losse dagen. Er wordt evenwel geen rekening gehouden met dagen die niet gelijkgesteld zijn met arbeidsdagen (bv. ziekte niet gedekt door gewaarborgd loon).

Voorbeeld :

U hebt recht op uitkeringen als volgt:

Vanaf

Periode / fase

06.04.2026

Eerste vergoedingsperiode

06.04.2027

Tweede vergoedingsperiode

06.01.2028

Einde recht

U werkt voltijds als loontrekkende vanaf 14.12.2026 tot en met 21.02.2027, dit is een periode van 70 kalenderdagen.

Het begin van de tweede vergoedingsperiode en de datum einde recht worden met 70 kalenderdagen opgeschoven.

U hebt dan recht op uitkeringen als volgt:

Vanaf

Periode / fase

15.06.2027

Tweede vergoedingsperiode

16.03.2028

Einde recht

De data werden met 70 dagen opgeschoven.

2.     In de volgende gevallen kan de einddatum van het recht worden opgeschoven, MAAR NIET de vergoedingsperiodes:

Situatie

Minimale duur van die situatie

1.    Periodes gedekt door een Belgische ziekte- of invaliditeitsuitkering (maar niet de moederschapsuitkering, de periode van moederschapsrust en de periodes van geboorte- en adoptieverlof)

geen

2.    Periodes gedekt door een uitkering in kader van de Belgische wetgeving inzake de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten

geen

3.    Periodes gedekt door een uitkering in het kader van een andere regeling van arbeidsongeschiktheid of invaliditeit

geen

Voorwaarde is telkens dat u tijdens die periodes geen werkloosheidsuitkeringen hebt ontvangen.

Voorbeeld :

U hebt recht op uitkeringen als volgt:

Vanaf

Periode / fase

06.04.2026

Eerste vergoedingsperiode

06.04.2027

Tweede vergoedingsperiode

06.01.2028

Einde recht

U hebt ziekte-uitkeringen ontvangen vanaf 14.12.2026 tot en met 21.02.2027, dit is een periode van 70 kalenderdagen.

De datum einde recht wordt met 70 kalenderdagen opgeschoven. De begindatum van de tweede vergoedingsperiode blijft ongewijzigd.

U hebt dan recht op uitkeringen als volgt:

Vanaf

Periode / fase

06.04.2027

Tweede vergoedingsperiode

16.03.2028

Einde recht

De datum einde recht werd met 70 dagen opgeschoven.

Behoud van het recht – eerste situatie: U werkt als deeltijdse werknemer met behoud van rechten met een inkomensgarantie-uitkering?

Voor meer info over dit statuut: lees de infobladen
T28, "Waarop heeft een deeltijdse werknemer recht?"
T70, "Hebt u recht op de inkomensgarantie-uitkering?"

Indien u op de einddatum van het recht, bepaald volgens de normale regels en eventueel verlengd (zie hierboven):

  • deeltijds werkt
  • én als deeltijdse werknemer met behoud van rechten een inkomensgarantie-uitkering geniet,
    • kunt u deze behouden tot het einde van de lopende tewerkstelling, op voorwaarde dat uw deeltijds uurrooster gedurende de volledige periode van die tewerkstelling verder
  • minstens 19 uur per week
  • of de helft van de normale voltijdse uurregeling in uw bedrijf

bedraagt.

Opgelet: enkel de einddatum van uw recht wordt opgeschoven, niet de vergoedingperiodes. De periodes van deeltijdse tewerkstelling of andere eventueel andere verlengende gebeurtenissen geven bovendien geen aanleiding tot een verlenging van uw recht op uitkeringen op het einde van die tewerkstelling.

Als u op het einde van deze lopende tewerkstelling volledig werkloze zou worden, kunt u enkel opnieuw werkloosheidsuitkeringen genieten als u op dat ogenblik minstens 312 omgerekend volle arbeids- en gelijkgestelde dagen bewijst in een periode van 36 maanden voorafgaand aan uw uitkeringsaanvraag.

Behoud van het recht – tweede situatie: U volgt een opleiding die voorbereidt op een tewerkstelling in een kritische zorgfunctie als verpleegkundige of zorgkundige?

Indien u op de einddatum van het recht, bepaald volgens de normale regels en eventueel verlengd (zie hierboven):

  • een opleiding volgt die voorbereidt op een tewerkstelling in een kritische zorgfunctie als verpleegkundige of zorgkundige
  • en waarvoor de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling u een vrijstelling heeft toegekend
    • hebt u nog recht op uitkeringen gedurende de ononderbroken duur van deze opleiding, maar beperkt tot:
      • één jaar na de normale totale minimale duur van de opleiding
      • én in ieder geval tot vijf jaar vanaf het ogenblik dat u de opleiding hebt aangevat.

Vakantieperiodes vormen geen onderbreking.

De federale minister van Werk maakt de lijst van opleidingen op, na advies van de bevoegde gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling.

Het voordeel kan maar één keer worden toegekend gedurende uw volledige beroepsloopbaan.

Opgelet: enkel de einddatum van uw recht wordt opgeschoven, niet de vergoedingperiodes.

Voorbeeld:

Uw recht op uitkeringen eindigt op 01.06.2028.

Op 01.09.2027 vat u een opleiding aan die normaal 3 schooljaren omvat, tot 30.06.2030.

Indien u elk schoojaar slaagt en de opleiding dus beëindigt op 30.06.2030, behoudt u het recht op uitkeringen tot 30.06.2030.

Stel dat u twee keer een jaar moet overdoen, dan eindigt de opleiding op 30.06.2032. U behoudt dan het recht op uitkeringen gedurende 3 + 1 jaar, dus tot 30.06.2031 (en niet tot 30.06.2032!).

Gebeurtenissen tijdens deze opleiding die normaal verlengend zouden werken (bv. een tewerkstelling) geven in dit geval géén aanleiding tot een verdere verlenging van uw recht op uitkeringen op het einde van de opleiding.